Mineralen

Mineralen

Mineralen zijn even onmisbaar als vitaminen. Het lichaam kan geen van deze stoffen zelf produceren. Mineralen zoals ijzer, fosfor, magnesium, kalium, natrium, chroom en zink zijn onmisbaar voor de werking en opbouw van ons lichaam.

Mineralen zijn een stuk beter houdbaar dan vitaminen. De meeste mineralen assisteren de enzymen die de stofwisseling besturen. Mineralen werken samen met vitaminen. Deze moeten in de juiste verhouding aanwezig zijn om een optimaal effect te bereiken.

Sporters en mineralenbehoefte

Bij sporters is vooral de behoefte aan ijzer, magnesium en zink groter, omdat door het transpireren en door de ontlasting veel verloren kan gaan. IJzer vervult een belangrijke rol bij het transport van zuurstof. Sporters moeten daarom voorkomen dat een ijzertekort ontstaat. Magnesium speelt een belangrijke rol bij duursport. Voor de spieren is magnesium essentieel omdat het een bijlage levert aan de spiercontractie en energiestofwisseling. Zink is belangrijk voor het immuunsysteem. Zink heeft ook een aandeel in de energiestofwisseling. Langeafstandslopers hebben vaak last van verkoudheden. Ze hebben dikwijls een te kort aan zink.

De mineralen die met de sporttest gemeten worden zijn: Calcium, Magnesium. Tevens worden gemeten Hb en Hematocriet.


Calcium

Calcium of kalk is belangrijk voor de handhaving en opbouw van je botweefsel. Het speelt ook een rol bij het samentrekken van de spieren. Extra aandacht voor de calciumvoorziening is nodig bij sporters die te weinig zuivel- producten gebruiken en sporters met een lage energieopname bij wie het gebruik van melkproducten wordt vermeden of minimaal is.

Calcium zit in melk, melkproducten, kaas, groente, noten en peulvruchten. Als je helemaal geen zuivelproducten eet of drinkt is de kans op te weinig calcium groot. De kans op een verstoorde botontwikkeling op jonge leeftijd, en op botontkalking na verloop van tijd neemt dan toe.

Vitamine D stimuleert de opname van calcium in het lichaam.

Calcium of kalk is een mineraal dat nodig is voor de opbouw en het onderhoud van de botten en het gebit. Als je voldoende calcium binnenkrijgt, heb je op latere leeftijd minder kans op botontkalking of osteoporose.

Calcium is ook nodig voor een goede werking van zenuwen en spieren, de bloedstolling en het transport van andere mineralen in de lichaamscellen, zoals natrium, kalium en magnesium.

Bij meer dan 2.500 milligram calcium per dag kunnen urinewegstenen ontstaan. Er kan ook verkalking van de nieren en bloedvaatwanden optreden. Dit geldt met name als langdurig maagzuurneutraliserende tabletten met calciumbicaronaat, zoals Rennies worden gebruikt.

Uit meer recent onderzoek komen aanwijzingen dat dagelijks gebruik van calciumsupplementen met meer dan 500 milligram het risico op hart- en vaatziekten zou doen toenemen. Dit effect geldt niet voor calcium uit de voeding. Daarom wordt aangeraden om uit voorzorg geen hooggedoseerde calciumtabletten te slikken, of alleen op advies van een arts.

Calciumtekort

Als je helemaal geen zuivelproducten eet of drinkt is de kans op te weinig calcium groot. Je kan dan na verloop van tijd botontkalking krijgen. Te weinig calcium is een risico voor:

  • Ouderen: calcium wordt minder goed opgenomen in het bloed. De botten gaan langzaam ontkalken, waardoor oude mensen vaker iets breken. Hoe meer kalk er op jonge leeftijd in de botten zit, hoe langer de botten stevig blijven. Beweging helpt tegen het ontkalken van botten op latere leeftijd. Dit geldt voor zowel mannen als vrouwen, maar bij vrouwen verloopt dit proces van botontkalking sneller na de menopause. Onder ouderen vallen vrouwen boven de 50 jaar en mannen van boven de 70 jaar.
  • Kinderen: verschijnselen van de Engelse ziekte (rachitis), waarbij de botvorming onvolledig verloopt en skeletvervorming optreedt, kunnen zich voordoen als kinderen minder dan 125 milligram calcium per dag gebruiken. Ook kunnen ze last hebben van spierkrampen. Deze aandoeningen zijn in veel gevallen het gevolg van te weinig vitamine D waardoor de calciumopname uit de voeding verstoord is ook als de voeding voldoende calcium bevat.

Witte plekjes op de nagels of het afbrokkelen van nagels zijn geen tekens van een calciumgebrek. De mogelijke oorzaak is een schimmelinfectie, zoals zwemmerseczeem.

 

Magnesium

Magnesium geeft stevigheid aan het skelet en is het nodig voor de opbouw van je spieren. Het draagt ook bij aan de energievoorziening van je lichaam. Magnesium is essentieel voor iedereen die sport en veel beweging heeft. Het is nodig voor de energiestofwisseling in je lichaam, zorgt voor de overdracht van zenuwprikkels en het goed functioneren van je spieren.

Magnesium is een mineraal dat onder andere nodig is voor de vorming van bot en spieren. Het speelt ook een rol bij de overdracht van zenuwprikkels en een goede werking van de spieren.

Magnesium zit in brood en graanproducten, groente, noten, melk en melkproducten en vlees. 

Een tekort aan magnesium komt niet snel voor. Een te hoge inname aan magnesium ontstaat alleen bij gebruik van tabletten waarin magnesium zit, magnesiumzouten of mineraalwater waarin veel magnesium zit.

Opname van magnesium 

Je lichaam neemt magnesium op aan het einde van de dunne darm. De opname van magnesium uit de voeding varieert van 20 tot 60%. Dit hangt af van de hoeveelheid die in de voeding zit. Hoe meer er in de voeding zit, hoe lager het percentage dat wordt opgenomen.

Voeding met een hoog gehalte aan fytaat vermindert de opname van magnesium. Fytaat is een stof dat voorkomt in volkoren graanproducten.

Bronnen van magnesium 

Magnesium komt voor in verschillende voedingsmiddelen. Het zit in volkorenbrood en andere volkoren graanproducten, groente, noten, melk en melkproducten en vlees. Ook water kan bijdragen aan de inname van magnesium.

Magnesium is nodig voor:

  • de vorming van bot en spieren.
  • de overdracht van prikkels in spieren en in zenuwbanen. 
  • het goed functioneren van spieren. 
  • een goede werking van een groot aantal enzymen. Enzymen zijn stoffen die nodig zijn om processen in het lichaam mogelijk te maken.
  • de energieproductie van de lichaamscellen.

Te weinig magnesium

Een tekort aan magnesium komt niet snel voor. Magnesium zit namelijk in veel voedingsmiddelen. Het kan wel ontstaan als bijvoorbeeld je nieren of darmen slecht functioneren. Klachten die kunnen ontstaan bij magnesiumtekort zijn: 

  • algehele lusteloosheid of vermoeidheid
  • spierkrampen
  • hartritmestoornissen in extreme gevallen

Het is moeilijk vast te stellen of een magnesiumtekort de oorzaak is van deze verschijnselen. Een arts kan dit niet goed vaststellen omdat het magnesium in je bloed geen goede maat is om een magnesiumtekort vast te stellen. Maar 1% van de hoeveelheid magnesium in je lichaam zit in het bloed. Ongeveer de helft zit in botten en tanden. De rest in cellen, spieren, organen en zenuwweefsel. 

Te veel magnesium

Een overschot aan magnesium ontstaat alleen bij gebruik van tabletten waarin magnesium zit, magnesiumzouten of mineraalwater waarin veel magnesium zit. 
Bij meer dan 250 milligram magnesium per dag extra, dus naast de magnesium in je eten, kunnen darmklachten zoals diarree ontstaan. 

IJzer (Hb)

IJzer speelt een belangrijke rol als bestanddeel van hemoglobine (Hb), het bloedeiwit dat voor zuurstoftransport zorgt. IJzertekort leidt tot een verminderd zuurstoftransport, waardoor het prestatievermogen nadelig wordt beïnvloed. Een laag ijzergehalte in je bloed is een voorbode van een anemie. Mogelijke gevolgen van een anemie zijn: versnelling van je hartslag, vermoeidheid, gebrek aan eetlust en spierkramp.

Hemoglobine (afgekort als Hb) is het eiwitmolecuul in rode bloedcellen dat zuurstof van de longen naar de lichaamsweefsels vervoert en op de terugweg kooldioxide uit de weefsels naar de longen transporteert. Hemoglobine is een complex eiwit dat in rode bloedcellen voorkomt. Rode bloedcellen zijn voor grofweg eenderde deel gevuld met hemoglobine. Hemoglobine bevat ijzer en dit mineraal speelt een rol bij het binden van zuurstof. De belangrijkste functie van hemoglobine is om zuurstof van de longen naar de lichaamsweefsels te vervoeren, en het zuurstof voor kooldioxide in te wisselen en de kooldioxide naar de longen te brengen waar zij wordt uitgewisseld voor zuurstof. Een rode bloedcel is rood van kleur dankzij de hemoglobine die het bevat.

Een rode cel heeft een levensduur van ongeveer 4 maanden. Elke 4 maanden moet daarom 1 kg Hb eiwit worden aangemaakt om de nieuwe rode cellen van voldoende hemoglobine te kunnen voorzien, hetgeen overeenkomt met ongeveer 250 tot 300 kg Hb per gemiddelde levensduur.

De vorming van rode bloedcellen wordt erytropoëse genoemd en vindt plaats in het rode beenmerg van de beenderen. Specifieker bevindt het rode beenmerg (myeloïde weefsel) zich in de mergholte (cavitas medullaris) van het dijbeen (femur), opperarmbeen (humerus), bekken (pelvis), ribben (costae), borstbeen (sternum), schouderbladen (scapula) en wervels (vertebra).

Hb-waarde bloed te laag

Bij een te laag hemoglobinegehalte, kan het bloed minder zuurstof vervoeren naar de weefsels vervoeren, waardoor je allerlei klachten kunt krijgen. Een lage Hb-waarde betekent dat je bloedarmoede (anemie) hebt. Enkele van de meest voorkomende oorzaken van bloedarmoede zijn:

Hematocriet

De hematocriet (afkorting:HT of HCT) of hematocrietwaarde (uit het Grieks: αιματοκριτης), van het Griekse αιμα (hema), dat 'bloed' betekent, en κριτηριον (criterion), dat 'criterium' betekent, is het volume van het bloed dat door de rode bloedcellen (erytrocyten) wordt ingenomen, weergegeven als een fractie van het totale bloedvolume.

Op grote hoogte is de zuurstofdruk van de lucht lager. Daardoor komt er minder zuurstof in het bloed, waardoor de nieren meer erytropoëtine afgeven. Hierdoor worden in het beenmerg meer rode bloedcellen gemaakt en stijgt de hematocriet.

 

 

terug